De Verloren Zoon – Part 5

1 08 2008

De zoon

 

We zijn kinderen van God en hebben macht gekregen “kinderen” van God te worden. (Johannes 1:12) Dit natuurlijk wanneer je uit God geboren bent.

Het is belangrijk te weten dat God Zijn vaderschap niet opgeeft. Hij houdt van je en wacht op je. Je moet dit echt wel weten als je wil kunnen functioneren in het Koninkrijk van God.

 

Waarom? Aha, daar komt het dan. Jawel. Zoals je in het verhaal kan zien is de jongste zoon met open armen ontvangen en merk je dat de vader meteen alle oordeel laat vallen. Hij heeft maar één doel. Zijn zoon in de watten te leggen en het heugelijke nieuws met iedereen te delen.

Maar we zitten nog altijd een beetje met die tweede hé. Ik heb er al vanalles over gehoord. Mensen die zeggen dat die kerel niet gered is vanwege zijn afgunst bijvoorbeeld.

 

Je moet weten dat die oudste zoon nog steeds bij het huis van de vader was. Hij heeft het huis niet verlaten. Hij is niet in woede weggestapt en heeft niet gezegd; “wel als dat zo zit, salu en de kost”. Nope, dat is zeker niet het geval. Hij is boos omdat hij diezelfde aandacht niet krijgt en dan komt er nog bij dat HIJ zo hard heeft gewerkt en dat HIJ altijd dienstbaar is geweest en omdat HIJ altijd geluisterd heeft naar zijn vader, terwijl de jongeste, die gaat alles opdoen en komt dan met hangende pootjes terug en krijgt alles onder zijn kont geschoven.

 

Die afgunst is heel dikwijls te vinden binnen de kerk. En daarbij komen dan nog een heleboel theorieën die bepalen dat de vader hen die dingen niet wil geven om hen nederig te houden enzovoort.

Die zoon is nog steeds een zoon en heeft het huis niet verlaten of dat wordt althans niet geschreven. De oudste zoon is dus nog steeds in het huis.

 

Tot mijn grootste spijt blijven de ‘verhalen’ van de ‘verloren’ zoon altijd maar hetzelfde en blijven ze altijd maar bij die vijf puntjes van berouw en hoe God ons wil zien thuiskomen.

 

Kleine melding: wanneer je thuis bent, dan ben je thuis. Stop dat gepreek over naar huis komen. Get a life.

 

Er volgt een heel specifiek stukje dat praktisch altijd wordt weggelaten.

We lezen over de afgunst van de oudste zoon en hoe de vader hem probeert aan te moedigen toch mee te vieren. Die zoon verwijt eigenlijk een beetje zijn vader omdat hij nog zelfs geen bokje heeft gekregen om met zijn vrienden vrolijk te zijn.

 

Nu dan… het, in de preken, weggelaten stukje.

De vader zegt dan tegen zijn oudste zoon.

“Maar zoon toch. Gij zijt altijd bij mij. Al wat van mij is, is van u.”

 

Voor hen die nog geen genezing hebben ontvangen voor hun slechte ogen en voor hen die traag van begrip zijn.

 

Gij zijt altijd bij mij, al wat van Mij is, is van u

 

Hebt ge het kunnen lezen? Is het begrepen? Als u denkt dat ik dit uit mijn duim zuig, dan wil ik u even doorverwijzen naar de woorden van Jezus in Lucas 15:29.

 

“Ja, maar Sven, we moeten dat toch …euh…anders interpreteren, want…”

 

HOU U KOP EN LEES WAT ER STAAT! ER STAAT WAT ER STAAT EN HET FEIT DAT JE NIET HEBT IS OMDAT JE NIET LEEST WAT ER STAAT. Simpel genoeg?

 

Waarom moeten mensen altijd de boel verdraaien om duidelijk te maken dat we niks hebben, terwijl God UITROEPT dat er niets te kort is. Dat we maar moeten vragen en dat we kunnen ontvangen. Dat we kinderen van Hem zijn en dat we medeërfegenamen zijn en dat we gewoon in alle rust kunnen leven. Wilt ge feesten? Feest dan. Simpel als dat. Geloof nu eens simpel wel dat als God iets zegt dat het dan ook zo is.

“Ja, maar”, is echt geen oplossing voor je levenssituatie. Het is een uitvlucht om je positie te kunnen verdedigen.

 

“Kijk eens naar mij. Ik heb al zo veel goede werken gedaan en krijg nog niks”. Pak het dan, het is van u. God houdt echt niks achter. Integendeel. Hij vertelt dat je maar moet bidden en ontvangen. Dat al wat Hij heeft van jouw is. Hoeveel moet ge nog hebben? Een woord uit de hemel? Ge zoudt het nog niet geloven. Ge verdedigt uw eigen goede werken en denkt dat God niks voor je heeft.

 

Wanneer je een kind van God bent, een zoon of een dochter, dan behoor je tot het huishouden, het gezin van God. God’s familie… en dat houdt in dat je naar de kast mag wandelen en nemen waar je zin in hebt. Je komt alleen tekort door je eigen tekort aan begrip.

 

Hosea; “je gaat ten onder door een tekort aan kennis”

Je weet niet wat God zegt en kijkt steeds op de omstandigheden. Je wil alsmaar gediend worden door God. En wanneer God bezig is met het vieren van feest voor een ander dan denk je dat Hij iemand anders hoger stelt dan jij. Nee, nee, neeeeeee…. Je bent nu eenmaal al bij de vader en je hoeft echt niet te doen alsof je niets hebt. Hij heeft altijd al voor je gezorgd. Het feit dat je eten hebt, onderdak, een auto, de basisbehoeften, bewijst dat Hij met je bezig is. Maar wil je een feestje? Feest dan. Go for it. “Al het mijne is het uwe” zegt de Vader.

 

Zoonschap, kind van de Vader. Zagen en bleiten helpt echt niet. Je doet gewoon wat je moet doen en geniet elk moment van de aanwezigheid van de Vader. Hij geniet elk moment van jouw aanwezigheid. Maar aan de andere kan zit Hij in het portaal te wachten tot die ene kleine naar huis komt. “waar blijft die nu toch”.

 

Ga samen met Hem op de uitkijk staan. Ga mee zoeken en wanneer die dan gevonden is, vier dan mee feest, want je was uitgenodigd. Alleen al het feit dat je een deel bent van het huis is een uitnodiging.

In mijn huis

 

Heb je het een beetje begrepen? Denk je dat dit grappig is of onmogelijk is? Nee, toch niet. We moeten ons eigen denken uit de weg zetten.

 

Ik wil je iets vertellen over mezelf J Yep.

Een aantal jaren geleden kwam ik in contact met een jongen. Een pracht van een kerel en hij staat zowat bovenaan in mijn vriendenlijst, al zie ik ‘m niet veel.

 

Helemaal in de beginperiode ontwikkelde zich er een liefde in me die ik niet kon beschrijven. Het is alsof het mijn zoon is, al is dat volledig niet zo… te oud om mijn zoon te zijn. (of ik te jong om zijn vader te zijn.). Een uitspraak die ik deed was; “Wat van mij is, is van u”. Die woorden zal ik niet terugtrekken en kan ik zelf niet terugtrekken en hij… J Yeah… Hij profiteert er niet van, maar laat het ook niet links liggen.

Ik herinner me een moment waarop we op stap waren. Hij was op zoek naar een draadloze modem tegen een goede prijs voor zijn computer. Hij had een computer, alleen zag ik het nut niet om een draadloze modem te hebben. Het was een gewone pc en hij had een kleine studio en was al aangesloten aan het internet.

Hij was heel enthousiast bezig over hoe hij dan overal en altijd met de computer kon zijn en dan op internet kon surfen. Daarbij sloeg mijn verbeelding een beetje op hol. Die hele pc verhuizen? Op de trein? Geen idee waar die mee bezig was, maar ik zal maar blij zijn voor hem en mee zoeken naar een goede draadloze modem.

Ik heb geen idee wat er gezegd is geweest of wat er gebeurd is, maar mijn gedachten kregen een lichte verheldering. “Wow, lap, diene heeft het over mijnen laptop”. J J J

Jawel, mijn hartje sloeg even over. Mijn laptop. Daar had hij het over. Zijn computer, waar die ging mee rondreizen en die zo mobiel was, was mijn dierbare laptop. Auw dus.

 

Zijn taal stond parallel met mijn woorden. Ik had hem een aantal dagen daarvoor al gezegd dat alles wat ik had van hem was. Blijkbaar waren die woorden bij hem gezonken en begon hij ernaar te leven.

Ik daarentegen had de impact van mijn woorden nog duidelijk niet begrepen, maar dat veranderde snel.

 

Mijn woorden zijn nog steeds dezelfde in zijn situatie. Wanneer hij binnenkomt en neemt iets mee, gevraagd of ongevraagd, kan ik het hem niet weigeren of kan ik hem niet tegenhouden. Waarom? Ah, voila, da is het, het is al van hem.

Soms is hij onzeker. Een tijdje geleden kwam hij binnen en vroeg of hij een bepaald stuk apparatuur mocht meenemen. Ik vertelde hem; “ge weet wat ik gezegd heb”. Hij bleef steeds maar om toestemming vragen, maar vertrok later die dag zonder dat object. Hij moest het zelfs niet vragen. Ik zal nog enkel bevestigen wat ik al eerder heb gezegd en ik meen hetgeen ik zeg. Hij weet het wel en weet wat wel en niet kan. Niet wat ik wel of niet toelaat. Maar of zijn hart oprecht is of niet.

 

Wat effect heeft het op mij wanneer hij iets noodzakelijk zou meenemen? Bijvoorbeeld mijn laatste eten wanneer ik net niet thuis ben bijvoorbeeld? Geen enkel effect. Waarom? Omdat ik niet afhankelijk ben van wat hij wel of niet meeneemt, maar van wat God wel of niet voor mij heeft.

 

Tijdens de periode van de laptop liet God mij hetvolgende weten. Net zoals die jonge man reageerde over die laptop. Op de manier waarop hij die laptop zich eigen maakte, zo mogen wij ons dingen eigen maken in het koninkrijk van God.

 

God zijn huis staat open en Hij sluit zijn kasten niet. Het gaat er bij God niet aan toe zoals in het standaard westers gezin. “Als je iets nodig hebt, moet je het eerst vragen”. Je hebt dan de mogelijkheid te weigeren. Bij God is het goed te vragen voor wijsheid. Is het goed te vragen of die auto wel een goed idee is. Maar zelfs dan nog. Wil je hem? Dan kan je hem nemen want hij staat er en God zegt; “Wat van mij is, is van u.”

 

Zelf leven we in een wereld waarin we onszelf beschermen. Als er iemand iets te veel wegneemt… ai, oei… dat zou wel eens pijn kunnen doen. We moeten hierin onszelf afhankelijk stellen van God en weten dat we nooit, maar ook nooit te kort zullen komen. Integendeel. God heeft niets te kort en stelt alles tot onzer beschikking.





De Verloren Zoon – Part 4

25 06 2008

Iedereen?

 

Ben je er nog? Zit je nog te lezen? Ik stelde je een vraag. “Iedereen?” Lees het verhaal en merk het vervolg op.

 

“Hé, kom eens hier? Wat is daar aan de hand?”

De oudste zoon was nog aan het werk op het veld. Hij hoorde de muziek en het gelach wanneer hij in de buurt van het huis kwam. Daarmee riep hij één van de dienstknechten en vroeg hem wat er aan de hand was.

“Je broer is terug thuis. Je vader heeft het beste, gemeste kalf laten slachten en ze vieren daar feest nu.”

 

De oudste zoon bleef buiten staan. Hij weigerde een stap binnen te zetten.

“Wat denkt die wel?”

 

Dan komt papa naar buiten.

“Kom toch binnen. Kom mee feestvieren. Je broer is terug.”

De reactie van de oudste.

“Gij vind da normaal of wa? Ik zwoeg en ploeg en doe niks verkeerd, maar de diene daar die gaat al uw geld verbrassen, komt dan terugkruipen en dan gaat ge daar een feest voor geven? Ge hebt mij nog nooit een klein bokske gegeven om te kunnen vieren met mijn vrienden. Nee, dank u wel, ik blijf wel hier.”

 

Tot daar iedereen dus. Duidelijk dat niet iedereen blij is. Zo ook kan je dat terugvinden in het verhaal in Lucas 15. De schriftgeleerden zijn helemaal niet blij dat Jezus omgaat met tollenaars en zondaars. Ze werken zo hard en zijn zelf zo goed. Hij zou toch beter hen een beetje meer aandacht geven in plaats van die anderen die alles toch maar verbrassen. Waarom zou je daar je tijd in steken en je vermogen? Heel simpel. God houdt van ons. Zo simpel. En wanneer je na een pijnlijke reis weer thuiskomt dan is Papa maar om één ding blij. Dat Hij je weer in Zijn buurt heeft. Het doet Hem pijn te weten dat het niet goed met je gaat en dat je niet verzorgd wordt met het beste van het beste. Het doet Hem pijn te weten dat je verloren loopt, al denk je er zelf soms anders over. Hij wil je beschermen, maar geeft je ook de vrijheid het huis te verlaten. Het doet er niet toe of je hard zwoegt en ploegt. Hij houdt gewoon van je zoals je bent.

 

De meeste preken die ik ken blijven altijd maar op dit niveau ongeveer.

  1. Je bent een verloren en zondig zoon.
  2. Je moet nederig  zijn en berouw hebben.
  3. God doet de deur voor je open wanneer je klopt.
  4. Je moet dienaar worden.
  5. We herkennen onze eigen afgunst vanwege de afgunst van de oudste zoon.

 

Ik denk dat je wel weet dat wanneer dit is wat je leest, dat je echt wel moet herlezen en dat je die liefde van de vader echt niet begrepen hebt en echt niet hebt begrepen wat God hier te vertellen heeft.

 





De verloren zoon – Part 3

3 06 2008

Spijtige nederigheid.

 

Waarom een titel zoals “spijtige nederigheid”. Nu moet je weten dat nederigheid heel heel heel heel heel goed is. Dat is dus heel goed hé, maar dat had je al wel begrepen. Maar waarom dan spijtig?

 

Wanneer je het verhaal over de zoon leest die weer thuis komt dan wordt het maar al te dikwijls gelinkt aan hoe nederig je moet zijn om tot de vader te komen. Je moet kruipen en zweten en berouw tonen.

Je kan doen wat je wil. Wanneer het niet uit je hart komt is het schijnheilig. Je komt terug thuis en Papa ziet je komen en Hij rent op je af en is vol ontroering.

 

“Ach, kijk toch eens hoe slecht we zijn”.

 

De nederigheid van de zoon in dit verhaal was geen bevel. Jezus vertelt dit verhaal met een hartsingesteldheid. Het inzicht van die zoon en het feit dat hij berouw heeft van hetgeen hij gedaan heeft. Hij weet dat het thuis zelfs voor de dienstknechten beter is en gaat terug naar huis. Hij schaamt zich en komt voor zijn vader en hoopt op genade. Papa staat al lang te wachten met zijn genade. Hij denkt niet aan genade. Hij denkt niet.

“nu komt het moment van het oordeel. Zoon, kom tot inkeer en ik zal je vergeven. Je bent nu mijn slaaf want ik red je uit de wereld die jouw doet zondigen”.

 

Nee, nee, nee, dat is volledig niet wat er gebeurt. Wanneer je oprecht bent van hart dan onderwerp je jezelf automatisch, maar niet omdat je dan iets gedaan zou krijgen. Je Vader ziet je sowieso graag en heeft maar één wens.

“Wanneer komt die naar huis. Waar blijft die toch”.

 

Zijn hart kijkt uit naar de horizon. “Hé, kijk daar beweegt iets. Nee, toch niet, het is een voorbijgaande ezel.” Elke dag staat die aan de deur op de uitkijk. Wanneer zijn dienstknechten hem aanspreken “Meester, het eten is klaar”, wuift hij even met zijn hand; “jaja, ik kom al”. Maar een uurtje later is hij er nog niet. Hij staat nog steeds op de uitkijk. De dienstknechten houden hem in de gaten en besluiten zijn eten tot bij hem te brengen. Hij kijkt eens naar het bord en neemt een hap… “Hé, kijk, daar beweegt een puntje.” Hij laat zijn bord staan en loopt richting punt. Hij keert terug, afwachtend; “Hij zal wel komen, het was ‘m nog niet. Hij is onderweg, ik weet het, hij komt terug. Ik blijf nog een uurtje zitten dan ga ik slapen.”

En jawel hoor, slapen doet hij. Maar hij haalt zijn bed niet. Hij valt in slaap daar waar hij zit. Die laatste minuut kan het zijn. Elk moment nu. Dag in, dag uit. De dienstknechten houden hem in de gaten. Ze brengen zijn eten aan de deur en wanneer hij indommelt dekken ze hem met een warm deken tegen de koude nacht. Ze zijn erbij betrokken. Wanneer de meester zijn ogen sluit, blijft er nog een dienstknecht zitten. “Hij mag het niet missen. Als zijn zoon eraan komt dan kan ik hem gauw wakker maken”. Ze houden de meester alert en proberen hem aan te moedigen te eten. Maar er is maar één ding waar zijn volle aandacht naar uitgaat. Zijn zoon. Zijn lieve Zoon; “Mijn zoon, mijn zoon, waar zit je toch. Waar blijf je toch? Kom toch even eten. Ik heb zoveel apart staan en heb nog zoveel liefde te geven. Ik heb je echt wel lief”.

Op een dag. “?Is’m dat? Zie ik het goed” De dienstknechten kijken mee. Ze hebben er geen idee van. In de verte zien ze wat bewegen, maar zou het de zoon van de meester zijn? Het ziet er zo niet uit. “Geen idee meester, het lijkt er in ieder geval niet op.”

“Ja toch wel, het is ‘m, ik zie het, ik weet het.” De vader springt recht en begint in de richting te wandelen van de persoon die op hem afkomt. Hoe dichter hij komt hoe zekerder hij wordt. Zijn pas versneld, zijn hart bonst in zijn keel; “Het is ‘m, het is ‘m”. Zwaaiend met zijn armen begint hij het uit te roepen. “MIJN ZOON IS ER… HIJ IS ER…”… De dienstknechten horen hem roepen en kijken elkander aan en barsten uit in gejubel. Een paar blijven staan kijken naar het spektakel, anderen lopen naar binnen en brengen iedereen in het huis op de hoogte. Er hangt een sfeer die niet te beschrijven valt. Het onmogelijke is mogelijk geworden. Iedereen dacht dat het voorbij was, dat het niet meer te redden viet. De meester zou tot het einde van zijn dagen naar de horizon zitten staren hebben, maar nee, het is gebeurd, de zoon is weergekeerd.

 

Het hart van de zoon zakt in de grond. Hij voelt zich vernederd, schaamt zich de grond in. “Wat kan ik doen om dit recht te zetten? Wat moet ik zeggen? Zou hij mij nog willen? Komt die mij slaan? Gaat hij roepen?… misschien mag ik nog wel bij hem werken?”

 

Zonder stoppen en/of nadenken rent de vader op zijn zoon af, vliegt hem om de nek en kust hem. “Je bent er weer, je bent er weer. Doe me dat nooit meer aan.”

“Ach, pap, ik ben het niet meer waard je zoon genoemd te worden, ik ben verkeerd geweest. Ik ben tegen jouw verkeerd geweest en tegen de hemel.”

Maar zijn vader is zo gevuld met vreugde dat hij zelfs die woorden niet hoort. Hij trekt zijn zoon mee naar huis en roept uit naar zijn dienstknechten; “Hey, hey, ga het beste kleed halen en breng een ring mee voor aan zijn vinger… en breng nog een paar schoenen mee om aan zijn voeten te doen. En ga het beste kalf slachten. We moeten feest vieren. Geen werk vandaag alleen feesten, mijn zoon is terug thuis. Laat het aan iedereen weten dat hij weer thuis is.”

 

Zo gezegd, zo gedaan. Het feest kan beginnen. Er is niets meer dat de vreugde van de vader kan stoppen. Er is niets meer waard dan zijn zoon. Hij heeft er op gewacht en het heeft zijn vruchten afgeworpen. Er is niets teveel voor hem. Hij is het allemaal waard geweest. Het wachten, de slapeloze nachten, de honger, de teleurstellingen, alles… viert feest

 

Laat je niet misleiden door valse nederigheid. God wil dat je met hem mee viert en blij bent omdat je thuis bent gekomen. Hij wil niet dat je blijft kijken op gisteren en wat je verkeerd hebt gedaan. Hij weet het wel, maar het is belangrijker voor de vader te weten dat je er weer bent. Iedereen viert feest.

 





De verloren zoon – part 1

23 04 2008

Context

Ik zou het best een andere naam willen geven. Bijvoorbeeld; “De gevonden zoon”, “De erfgenaam”, “Dood, maar weer opgewekt”, ”Thuiskomst”, “De liefde van de Vader”, etc… Waarom juist “De verloren zoon”? Omdat het in de bijbel staat? Het is maar een titel hoor. Een titel die toegevoegd is. In het Engels zal je het woord ‘prodigal’ vinden. “The prodigal son”. Dat ‘prodigal’ betekent; verkwistend, aanhang naar luxe, gul. In die zin zou het dan vertalen naar; “De verkwistende zoon” of “Gulle zoon”.

Een aantal weken geleden hadden we nog een preek bij ons in de gemeente over deze kerel. Niet zo’n slechte preek trouwens. Het ging dus over die zoon en even ook over die andere zoon, die niet van huis was weggegaan.

Het verhaal is trouwens te lezen in Lucas hoofdstuk 15. (In de bijbel dus :-) )

Even de context schetsen hé. Jezus zit daar omringd door mensen van allerlei slag. Ja, lap, daar hebt ge’t al. Ge hebt daar mensen zitten die schriftgeleerden zijn, maar ook farizeeën en jawel, tollenaars ook; een niet geliefd beroep bij de joden. Je kon maar beter geen tollenaar zijn wanneer je geliefd wou zijn. Iemand die de belastingen ophaalde dus… :-) Nergens echt geliefd hé. En er waren ook zondaars. De farizeeën en de schriftgeleerden waren onder elkaar bezig.

“Moet ge die zien. Hij ontvangt zondaars en Hij eet samen met hen.”

Jezus begint dan een verhaaltje te vertellen over iemand die schapen heeft en er dan eentje kwijt speelt. het verloren schaap is niet onbelangrijk. Je gaat ernaar op zoek en wanneer je het gevonden hebt dan ben je toch blij.

Dan vertelt Jezus nog een verhaaltje over een vrouw die een penning kwijt is en ze begint te zoeken en wanneer ze het gevonden heeft, nodigt ze de buren uit om feest te vieren want ze was die penning kwijt en nu heeft ze die weer teruggevonden. En dan… komt het; het allerbeste verhaal. Het gaat over een jonge man die zijn erfenis opeist en het vaderlijk huis verlaat en het ‘leven’ op eigen houtje tegemoet gaat. “FREEDOM”, denkt die kerel. Hij heeft geld en is niet meer afhankelijk van zijn papa :-) Yeah wathever.

Je hebt de context begrepen? Het gaat er dus om dat je de zondaars niet moet onderschatten. Ze zijn belangrijk voor God. Dat is waar het verhaal om gaat. Het volk van Israël is en was het volk van God. Heel veel van de Israëlieten hadden God aan de kant gezet. Eerst ik en dan God. Zo ging het trouwens altijd. Maar voor God zijn het nog altijd Zijn schapen en gaat Hij er nog stees naar op zoek en laat merken dat Zijn deur altijd open staat.

Dat is dus de context in het kort… heel kort. Maar daar blijft het niet bij.

wordt vervolgd…