Spijtige nederigheid.
Waarom een titel zoals “spijtige nederigheid”. Nu moet je weten dat nederigheid heel heel heel heel heel goed is. Dat is dus heel goed hé, maar dat had je al wel begrepen. Maar waarom dan spijtig?
Wanneer je het verhaal over de zoon leest die weer thuis komt dan wordt het maar al te dikwijls gelinkt aan hoe nederig je moet zijn om tot de vader te komen. Je moet kruipen en zweten en berouw tonen.
Je kan doen wat je wil. Wanneer het niet uit je hart komt is het schijnheilig. Je komt terug thuis en Papa ziet je komen en Hij rent op je af en is vol ontroering.
“Ach, kijk toch eens hoe slecht we zijn”.
De nederigheid van de zoon in dit verhaal was geen bevel. Jezus vertelt dit verhaal met een hartsingesteldheid. Het inzicht van die zoon en het feit dat hij berouw heeft van hetgeen hij gedaan heeft. Hij weet dat het thuis zelfs voor de dienstknechten beter is en gaat terug naar huis. Hij schaamt zich en komt voor zijn vader en hoopt op genade. Papa staat al lang te wachten met zijn genade. Hij denkt niet aan genade. Hij denkt niet.
“nu komt het moment van het oordeel. Zoon, kom tot inkeer en ik zal je vergeven. Je bent nu mijn slaaf want ik red je uit de wereld die jouw doet zondigen”.
Nee, nee, nee, dat is volledig niet wat er gebeurt. Wanneer je oprecht bent van hart dan onderwerp je jezelf automatisch, maar niet omdat je dan iets gedaan zou krijgen. Je Vader ziet je sowieso graag en heeft maar één wens.
“Wanneer komt die naar huis. Waar blijft die toch”.
Zijn hart kijkt uit naar de horizon. “Hé, kijk daar beweegt iets. Nee, toch niet, het is een voorbijgaande ezel.” Elke dag staat die aan de deur op de uitkijk. Wanneer zijn dienstknechten hem aanspreken “Meester, het eten is klaar”, wuift hij even met zijn hand; “jaja, ik kom al”. Maar een uurtje later is hij er nog niet. Hij staat nog steeds op de uitkijk. De dienstknechten houden hem in de gaten en besluiten zijn eten tot bij hem te brengen. Hij kijkt eens naar het bord en neemt een hap… “Hé, kijk, daar beweegt een puntje.” Hij laat zijn bord staan en loopt richting punt. Hij keert terug, afwachtend; “Hij zal wel komen, het was ‘m nog niet. Hij is onderweg, ik weet het, hij komt terug. Ik blijf nog een uurtje zitten dan ga ik slapen.”
En jawel hoor, slapen doet hij. Maar hij haalt zijn bed niet. Hij valt in slaap daar waar hij zit. Die laatste minuut kan het zijn. Elk moment nu. Dag in, dag uit. De dienstknechten houden hem in de gaten. Ze brengen zijn eten aan de deur en wanneer hij indommelt dekken ze hem met een warm deken tegen de koude nacht. Ze zijn erbij betrokken. Wanneer de meester zijn ogen sluit, blijft er nog een dienstknecht zitten. “Hij mag het niet missen. Als zijn zoon eraan komt dan kan ik hem gauw wakker maken”. Ze houden de meester alert en proberen hem aan te moedigen te eten. Maar er is maar één ding waar zijn volle aandacht naar uitgaat. Zijn zoon. Zijn lieve Zoon; “Mijn zoon, mijn zoon, waar zit je toch. Waar blijf je toch? Kom toch even eten. Ik heb zoveel apart staan en heb nog zoveel liefde te geven. Ik heb je echt wel lief”.
Op een dag. “?Is’m dat? Zie ik het goed” De dienstknechten kijken mee. Ze hebben er geen idee van. In de verte zien ze wat bewegen, maar zou het de zoon van de meester zijn? Het ziet er zo niet uit. “Geen idee meester, het lijkt er in ieder geval niet op.”
“Ja toch wel, het is ‘m, ik zie het, ik weet het.” De vader springt recht en begint in de richting te wandelen van de persoon die op hem afkomt. Hoe dichter hij komt hoe zekerder hij wordt. Zijn pas versneld, zijn hart bonst in zijn keel; “Het is ‘m, het is ‘m”. Zwaaiend met zijn armen begint hij het uit te roepen. “MIJN ZOON IS ER… HIJ IS ER…”… De dienstknechten horen hem roepen en kijken elkander aan en barsten uit in gejubel. Een paar blijven staan kijken naar het spektakel, anderen lopen naar binnen en brengen iedereen in het huis op de hoogte. Er hangt een sfeer die niet te beschrijven valt. Het onmogelijke is mogelijk geworden. Iedereen dacht dat het voorbij was, dat het niet meer te redden viet. De meester zou tot het einde van zijn dagen naar de horizon zitten staren hebben, maar nee, het is gebeurd, de zoon is weergekeerd.
Het hart van de zoon zakt in de grond. Hij voelt zich vernederd, schaamt zich de grond in. “Wat kan ik doen om dit recht te zetten? Wat moet ik zeggen? Zou hij mij nog willen? Komt die mij slaan? Gaat hij roepen?… misschien mag ik nog wel bij hem werken?”
Zonder stoppen en/of nadenken rent de vader op zijn zoon af, vliegt hem om de nek en kust hem. “Je bent er weer, je bent er weer. Doe me dat nooit meer aan.”
“Ach, pap, ik ben het niet meer waard je zoon genoemd te worden, ik ben verkeerd geweest. Ik ben tegen jouw verkeerd geweest en tegen de hemel.”
Maar zijn vader is zo gevuld met vreugde dat hij zelfs die woorden niet hoort. Hij trekt zijn zoon mee naar huis en roept uit naar zijn dienstknechten; “Hey, hey, ga het beste kleed halen en breng een ring mee voor aan zijn vinger… en breng nog een paar schoenen mee om aan zijn voeten te doen. En ga het beste kalf slachten. We moeten feest vieren. Geen werk vandaag alleen feesten, mijn zoon is terug thuis. Laat het aan iedereen weten dat hij weer thuis is.”
Zo gezegd, zo gedaan. Het feest kan beginnen. Er is niets meer dat de vreugde van de vader kan stoppen. Er is niets meer waard dan zijn zoon. Hij heeft er op gewacht en het heeft zijn vruchten afgeworpen. Er is niets teveel voor hem. Hij is het allemaal waard geweest. Het wachten, de slapeloze nachten, de honger, de teleurstellingen, alles… viert feest
Laat je niet misleiden door valse nederigheid. God wil dat je met hem mee viert en blij bent omdat je thuis bent gekomen. Hij wil niet dat je blijft kijken op gisteren en wat je verkeerd hebt gedaan. Hij weet het wel, maar het is belangrijker voor de vader te weten dat je er weer bent. Iedereen viert feest.
Recente reacties