Genezing: Feit of Fictie – Part 7

3 09 2009

Koning David

Idereen kent wel het verhaal van Koning David. Hij was toen nog geen koning, hij was schaapsherder. Een jonge kerel.

Israël werd bedreigd door de Filistijnen. Één van de grote wapens van de Filistijnen was een reus. Goliath was zijn naam.

         “Kies een man uit uw volk”, riep Goliath, “en laat hem tegen mij vechten. Als hij wint dan zullen wij jullie knechten worden en als ik win dan worden jullie onze knechten.”

De Israëlieten waren bang. Ze zagen het niet zitten tegen die grote reus te vechten.

David’s drie oudste broers zaten in het leger. Elke dag zagen ze die reus komen en hetzelfde roepen. De reus daagde de Israëlieten uit, veertig dagen lang. Isai, de vader van David, stuurde David uit om de drie oudste broers eten te brengen. Wanneer hij daar aankwam zag hij die reus.

“Wat krijgt de man die deze Filistijn verslaat? Wie is deze onbesneden Filistijn die denkt dat Hij het leger van de levende God zomaar zou beledigen?”

David loopt daar al zo een tijdje rond en stelt alsmaar dezelfde vraag aan de soldaten van het leger van Israël. Eliab, de oudste broer van David maakte van zijn oren.

“Wat komt gij hier eigenlijk doen? Bij wie hebt ge die schapen achtergelaten waar ge op moest letten? Ik weet wel dat ge trots zijt en slecht in uw hart. Gij zijt gewoon gekomen om naar de strijd te zien”

David reageert verbaasd;

“Wat heb ik nu misdaan?”

David gaat verder naar de andere soldaten. Hij blijft steeds maar dezelfde vraag stellen. Totdat dit op een bepaald moment aan de oren van de koning komt. Koning Saul liet David bij zich brengen. David zei tegen koning Saul;

“Uw knecht zal gaan en strijden met die Filistijn”

Saul antwoordde;

“Maar gij zult tegen hem niet kunnen strijden. Gij zijt nog jong en die reus is een krijger van sinds hij kind is.”

David laat zich daardoor niet intimideren;

“Uw knecht was bij de schapen van zijn vader en er kwam een leeuw en een beer en die nam een schaap van de kudde weg. Ik liep hem achterna en sloeg hem en redde het schaap uit zijn mond. Toen dat hij tegen mij weerstand bood, nam ik hem bij zijn baard en sloeg hem dood. Zo heeft uw knecht de beer en de leeuw geslagen, en zo zal hij ook deze onbesneden Filistijn slagen omdat hij het leger van God beledigd. Dezelfde God die mij gered heeft uit de klauwen van de leeuw en de beer zal mij redden uit de hand van deze Filistijn.”

Wat kon koning Saul nog verder zeggen? “Ga en God zij met u”.

David weigerde de wapenrusting van de koning en ging op pad zoals hij was; met zijn staf in zijn hand. Hij raapte wel vijf gladde stenen en ging op de reus af.

Goliath stapt richting David. Hij lacht hem uit en kleineert hem.

“Ben ik dan een hond dat ge met een stok afkomt? Kom hier, dat ik u te eten geef aan de vogels en de wilde dieren.”

David is volledig niet bang;

“Komt gij tot mij met uw zwaard en uw speer en uw schild, maar ik zal tot bij u komen in de naam van de Heer van de legers, de God van het leger van Israël, die gij hebt beledigd. Op deze dag zal de Heer u in mijn hand geven en ik zal u slaan en ik zal uw hoofd nemen en ik zal de dode lichamen van het leger van de Filistijnen aan de vogels geven en de wilde beesten. En de hele wereld zal weten dat Israël een God heeft.

En alle hier aanwezig zullen weten dat de Heer niet verlost door speer of zwaard, want de strijd is van de Heer en die zal u in onze handen geven.”

Wanneer David gedaan had met spreken ging de Filistijn op hem af. David haastte zich naar de Filistijn. Hij stak zijn hand in zijn tas en nam daaruit een steen legde die in zijn slinger en slingerde de steen naar de reus. De steen raakte het hoofd van Goliath, die dan op zijn gezicht viel.

David liep op de reus af die op de grond lag, nam het zwaard van de reus en hakte zijn hoofd af. Toen dan de Filistijnen zagen dat hun held dood was werden ze bang en gingen lopen.


Acties

Informatie

Plaats een reactie